Biografische gegevens: Hermannus Ellen Mees, geboren als derde van de zes kinderen van Willem Mees (Groningen 1849-1920, Lochem), arts met als laatste standplaats Rotterdam, en Geertruida Hermina Oving (Groningen 1850-1923 Lochem). Hij groeide op in een welvarend milieu. Zijn broer, de oudste, werd arts, twee van zijn vier zussen trouwden met respectievelijk een ingenieur/directeur van een bedrijf in Moskou en een bankdirecterur, één overleed jong en de jongste, leraar Engels, kwam in Januari 1945 om in concentratiekamp Ravensbruck.

In 1897 verhuisde het gezin naar Rotterdam, waar hij in 1899 eindexamen H.B.S. deed. Na afloop van de militaire dienst begon hij in 1900 in Delft de studie voor bouwkundig ingenieur, maar het jaar daarna overwon hij zijn vaders bezwaren en behaalde in 1901 het toelatingsexamen voor de Rijksacademie in Amsterdam, waar Jan Sluyters en de latere schilder-criticus Huib Luns en Chris Lebeau zijn tijdgenoten waren. In 1903 woonde hij zo’n drie-kwart jaar in Mook, Limburg, en schilderde daar landschappen. In 1904 won hij de eerst prijs naakttekenen, een zilveren medaille, aan de Rotterdamse Academie en een jaar later slaagde hij, door heel hard werken in zes maanden, voor het examen middelbaar onderwijs tekenen. Er was voldaan aan zijn vaders practische wens, een acte voor de toekomst!

Hij vertrok naar het buitenland en werkte drie jaar in Engeland, een half jaar in Parijs, en ook nog in Műnchen en Dresden. Deze reizen hadden vooral ten doel het bestuderen van de meesterwerken in de belangrijke musea. Speciaal in de National Gallery, Londen, copieerde hij veel; In Italie maakten vooral de muurschilderingen een grote indruk op hem.

Na zijn eerste tentoonstelling in ‘Oldenseel’ in Rotterdam in 1909, waar parkgezichten uit Londen en Parijs hingen en natuurlijk ook portretten en fantasie koppen, aanvaardde hij de positie van leraar tekenen aan de Rotterdamse Academie voor de avond cursus, welke positie hem elk jaar vijf maanden vakantie gunde voor reizen in het buitenland. In Augustus 1916 trouwde hij in Rotterdam met de uit Rotterdam afkomstige Jeannette Petronella van Aken. Hij was toen 35, zij 21 jaar oud. Zij kregen in de loop der jaren drie zoons en een dochter. Hij heeft het ongetwijfeld jammer gevonden dat zijn kinderen zijn talent niet hadden meegekregen, maar hij heeft hen nooit iets van die 'teleurstelling' laten merken. In 1923 tenslotte werd hij hoofdleraar aan de Academie. Hij had tientallen leerlingen onder wie Jan van Heel en Joan Bakker. Tijdens de lessen droeg hij de ‘Florentijnse tragedie’ van Oscar Wilde voor.

De periode van zijn docentschap duurde officieel tot 1943, maar ook daarna was zijn indrukwekkende gestalte nog regelmatig in the gangen van de Academie te zien waar hij werk van aankomende kunstenaars bekeek. Hij was een van de oprichters en drie-jaar voorzitter van de ‘Onafhankelijken’, een groep gevormd uit verzet tegen het officiele, dat probeerde de vrije kunst aan banden te leggen. Hij was lid van Pulchri en de Rotterdamse Kunstenaars Societeit en Pulchri Studio in Den Haag (beide in de periode 1944-1969). In 1951 ontving Herman Mees de 'Penning van de Leuve', de eerste keer dat deze onderscheiding werd uitgereikt door the Rotterdamse Kunststichting. Typering: 'De brede artistieke ontwikkeling, door zijn herhaalde studiereizen verkregen, heeft op Herman Mees niet alleen als schilder, maar ook als mens haar invloed doen gelden. Zijn weten past zich aan bij zijn kunnen en in zekere zin is hij evenzeer kunstgeleerde als kunstenaar' 'Zijn uiterlijk verried de intelligentie, welke onwillekeurig denken deed aan een dichter, die hij ook was. Menige gedachten heeft hij in dichtvorm geschreven: 'De wereld van verwardheid waar wij in leven, 'Verlangt een helder hoofd, een zuiver hart. 'Die zuiverheid van hart is niet elkeen gegeven, 'Want vele harten zijn van binnen zwart.' Vele van zijn gedachten, die hij op verschillende wijze had aangetekend, zijn verbrand in Mei 1940, toen de Academie in de binnenstad van Rotterdam gebombardeerd werd. Vele schilderijen en portefeuilles met tekeningen zijn toen verloren gegaan. 'De meest op de voorgrond tredende karaktertrek in het werk van Mees is een bijzondere voornaamheid, welke ook spreekt uit zijn creaties van ideale, althans mooie vrouwenfiguren. Maar aan de andere kant is zijn liefde voor waarheid in de kunst weer zo sterk ontwikkeld dat dit hem terughoudt te vervallen in idealisme.' 'Zijn portretten geven mensen weer van vlees en bloed, waarin een rustige deftigheid domineert. Als realist en als leraar heeft Herman Mees zich een factuur eigen gemaakt die zich klaarblijkelijk even gelukkig ontwikkelde als zijn coloriet: beide hebben een licht-wetenschappelijk, aristocratisch cachet gekregen en zijn desondanks weer zo spontaan, dat ze de schilder volkomen kunnen voldoen'.

Bijzonderheden: Herman Mees’ grootste talent lag in het schilderen en tekenen van portretten. Vermeld moeten o.a. worden een reeks portretten van Utrechtse hoogleraren, zakenlieden uit Rotterdam en andere steden, een portret van H.H. van Dam A.Czn, voorzitter van het bestuur der Rotterdamse Academie; getekende portretten van Willem van Konijnenburg, Jan Prins, de dichters J.H. Leopold (1922) en P.C. Boutens (1942). Hij schilderde een portret van koningin Wilhelmina (1937) in opdracht van de Vereniging van Friese Vrouwen als huwelijksgeschenk voor Prinses Juliana en Prins Bernhard. De koningin poseerde acht maal twee uren, zittende voor haar ezel, met haar palet in de hand; een ander schilderij van Koningin Wilhelmina in opdracht van de Rotterdamse burgerij aangeboden aan het Gemeente bestuur van Rotterdam; een portret van Koningin Juliana, naar foto’s, hangt in de Hollandse Club in New York. Vele zelf-portretten en heel veel kinderportretten. Figuurcomposities: de ‘Maalmeesters’, een groep directeuren van meelfabrieken uit geheel Nederland. Een zomerse verjaarsvisite buiten. Een schilderij waar hij zelf op de rug gezien voor zijn ezel zit, omringd door leerlingen. Religieuze voorstellingen: de ‘Emmausgangers’ in de St Laurenskerk in Rotterdam, ‘Christus met de Apostelen’ in de Nederlands Hervormde Kerk in zijn geboorteplaats Veendam. Penseeltekeningen in Oost Indische inkt , begonnen gedurende zijn ziekte tijdens de oorlog als een soort tijdverdrijf. Sprookjesachtig, dynamisch en vol fantasie.

In de jaren 1903-1906 werd hij geboeid door de leer der theosofen, zonder dat het schilderen er onder leed. Dieper echter raakte hem de kennismaking en later de vriendschap met de philosoof G.J.P.J. Bolland, wiens cursussen hij volgde en wiens boeken hij las, en gedurende de jaren 1909 – 1911 werd er niet of weinig geschilderd. In 1912 maakte hij kennis met Willem A. van Konijnenburg, de Haagse kunstenaar. Herman Mees bewonderde hem als kunstenaar, leraar en mens en volgde hem na, maar later heeft hij zich van die invloed losgemaakt en zijn eigen weg als impressionist gevonden. De vriendschap echter, bleef bestaan. 'Bij het schilderen van portretten is een kinderportret het makkelijkst. Kinderen zijn makkelijk te doorzien, ze zijn eenvoudig en geven zich direct. Een vrouw is gecompliceerder dan een man en dus moeilijker te treffen. Het vrouwelijke equivalent van een man uit-een-stuk zou de vrouw zijn zonder raadsel'.

Hij was altijd geinteresseerd in nieuwe richtingen in de schilderkunst, probeerde ze te begrijpen en niet te veroordelen. Op 80-jarige leeftijd reisde hij met zijn vrouw naar Marokko om portretten te schilderen en in hetzelfde jaar gingen zij naar de West Indies, waar zijn dochter en haar gezin toen woonde. Ook daar hangt menig portret van hem. Het laatste jaar van zijn rijk en gelukkig leven woonde hij buiten in Zuidlaren, waar hij genoot van de natuur en waar ieder jaargetijde hem vreugde bracht.

Marjolein Whittaker-Mees, Cardiff, 2006